sg1l1843

HEBBEN BURGERS TE VEEL RECHTEN?

 

Een seminarie over inspraak van de gewone burger

met als titel “HEBBEN BURGERS TE VEEL RECHTEN?”.

 

Deze ietwat verrassende en nogal uitdagende vraag – HEBBEN BURGERS TE VEEL RECHTEN, was de TITEL voor een speciale STUDIEDAG over dat fameuze RAPPORT BERX en de rol van de burger daarbij.
Dat seminarie werd georganiseerd in de faculteit RECHTEN van de universiteit Antwerpen – in de Ufsia gebouwen Hof van Liere – op vrijdag 17 december 2010, een barslechte winterdag met ijs en sneeuw, gladheid en gevaarlijk verkeer.
Als achtergrond informatie op de uitnodiging, stond het volgende te lezen : Grote infrastructuur projecten krijgen vroeg of laat te maken met juridische procedures gestart door burgers. Heeft de burger teveel macht of juist te weinig? Het seminarie van de onderzoeksgroep Overheid en Recht brengt een verfrissende kijk op de rol van de burger m.b.t. infrastructuurprojecten met actoren uit de praktijk en het beleid. Een boeiende dag voor juristen en overheden.
Uw webmaster was nieuwsgierig en wilde wel eens weten en vooral horen wat daar allemaal verteld wordt over HUN VERFRISSENDE KIJK OP DE ROL VAN DE BURGER.
Het grootste deel van de aanwezigen waren – zoals zij zichzelf noemden – doctorandi voor doctorandi, m.a.w. studenten RECHTEN en afgestudeerden die nog een bijzonder doctoraat begonnen waren, nog bezig waren of dat doctoraat al gehaald hadden. Dus een allegaartje van experten in wetten en decreten die allemaal een eigen powerpoint presentatie mochten komen voorstellen over hun specifieke onderwerpen. Onder hen gouverneur BERX zelf die duidelijk als klokhen fungeert voor een aantal “doctorerenden” in specifieke problemen. Ik noem als voorbeeld “om zich tot de Europese gerechtshoven te wenden tegen een Europese maatregel die hun belangen raakt”. Dat zijn(worden) dan de specialisten die zich bekwamen HOE OPENINGEN TE VINDEN in de Europese jurisprudentie. In belangrijke mate werd deze studiedag de rapportering van een stand van zaken en voorstellen van concrete aanbevelingen of informeren over reeds bereikte conclusie.
En daarvan schrijf ik hier een onverwachte, maar wel merkwaardige conclusie van een spreker die Eerste auditeur is Raad van State is sinds 1990, maar in 2009 doctoreerde over juridische aspecten van burgerparticipatie.

ANALYTISCHE VASTSTELLINGEN.
Ik citeer uit zijn powerpoint en uit de snelle notities die ik zelf maakte: Het verdrag van Aarhus legt participatie op maar dat moet niet overdreven worden. Het gaat hier niet over rechtsbescherming maar over participatie. Hoeveel gewicht gaan we als overheid hieraan toekennen. Welke verplichting heb je om daar als overheid IETS MEE TE DOEN. Hoe moet je burgerparticipatie organiseren op een door de overheid aanvaarde manier. In werkelijkheid gaat het over POLITIEKE PARTICIPATIE. Politici en ambtenaren leren praten en werken MET MEKAAR in plaats van TEGEN MEKAAR. Behoorlijk bestuur aanleren en beïnvloedingsvormen aanleren tegenover andere ambtenaren, dus politieke participatie in de projecten.

 

Een andere spreker had die problemen als volgt omschreven: de nationale parlementen maken hun eigen wetten, en de vlaamse parlementariërs maken hun eigen decreten die zeer dikwijls mekaar tegenspreken, en de toepassingen alleen maar in de war sturen…één van de redenen trouwens waarom alles in het honderd loopt en blijft lopen. Van de burgerparticipatie is hier GEEN SPRAKE.

 

 

TIJDSCHRIFT VOOR
BESTUURSWETENSCHAPPEN & PUBLIEK RECHT.

 

Op de dag van het seminarie kregen alle deelnemers een exemplaar van dit TIJDSCHRIFT jaargang 2010 nr.10: Infrastructuuur projecten en de rol van de burger, samengesteld met bijdragen van het seminarie.

VOORWOORD van Jûrgen Vanpraet en Catherine Van De Heyning.
De studiedag van 17 december 2010 aan de Universiteit Antwerpen stelde de rol van de burger en infrastructuurprojecten centraal. De studiedag kreeg de uitdagende titel “Hebben burgers te veel rechten? Infrastructuurprojecten en de rol van de burger”. De vraag stellen betekent in vele gevallen ze beantwoorden. Dit is in deze niet het geval. De studiedag wil bijdragen tot een genuanceerd debat over het globale rechtskader waarbinnen infrastructuurprojecten tot stand komen. De bijdragen in dit nummer vormen de schriftelijke weerslag van een aantal lezingen op deze studiedag.
Uitgangspunt van het onderzoek is dat de te lange doorlooptijd van infrastructuurprojecten tot frustratie leidt. Administratieve en juridische procedures kunnen jaren aanslepen waardoor de realisatie van een project lange tijd onzeker blijft. Vlaanderen staat niet alleen met deze problematiek. Onder meer in Nederland, in Duitsland en in het Waalse Gewest werden de afgelopen jaren initiatieven genomen ter versnelling van infrastructuurprojecten. In Nederland werden recent onder meer de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) en de Crisis- en Herstelwet aangenomen(1). Recenter zagen ook in Vlaanderen initiatieven het levenslicht. Zo verwijst het Vlaams Regeerakkoord 2009-2014 naar de trage doorlooptijd van infrastructuurprojecten(2), werd in de schoot van de Vlaamse Regering de Commissie Berx opgericht(3), stelde het Vlaams Parlement de Commissie Sauwens in(4) en nam de Vlaamse Regering een visienota aan(5). 

Deze initiatieven hebben alle tot doel om tot een snellere besluitvorming te komen. Snelheid vormt veeleer een essentieel bestanddeel van een kwalitatieve besluitvorming naast andere elementen zoals burgerparticipatie(6), een kwaliteitsvolle belangenafweging en rechtsbescherming. Uit de diverse aanbevelingen blijkt dat oplossingen gevonden moeten worden in het stroomlijnen van procedures zonder dat dit de participatiemogelijkheden en de verzetmogelijkheden van burgers aantast. 

De aanbevelingen van het rapport van de Commissie Berx worden verder in dit nummer besproken door C.BERX. Snelheid mag hierbij echter niet beschouwd worden als een tegenpool van kwalitatieve besluitvorming. De bijdrage van S.DENYS analyseert in het licht hiervan de adviseringsprocedures bij grote infrastructuurprojecten en de macht van de adviseurs in het bijzonder. Hij pleit voor een afschaffing van de bindende advisering voor deze projecten. Bindende adviezen leiden immers tot verkokering en een verlamming van de besluitvorming. Om tijdwinst te realiseren pleit hij er tevens voor om bepaalde adviesverplichtingen af te schaffen en om een integrale adviesverlening in te voeren.

 

De vaststelling dat het beleid op verschillende niveau verspreid is (zgn.meerlagige bestuurscontext), bemoeilijkt het nemen van maatregelen ter versnelling van infrastructuurprojecten. Het lokale, regionale, federale, grondwettelijke, Europese en internationale niveau creëren vaak naast elkaar rechtsnormen die op de één of andere wijze een invloed uitoefenen bij de totstandkoming van grote infrastructuurprojecten. Elk van deze niveaux draagt hierbij, elk vanuit het eigen perspectief, “een” verantwoordelijkheid zonder dat iemand “de” verantwoordelijkheid draagt voor het geheel. Dit maakt van de versnelling van de doorlooptijd van infrastructuurprojecten een bijzonder hachelijke  onderneming. 

Elke maatregel die op Vlaams niveau wordt uitgevaardigd, moet immers afgetoetst worden aan het hogere grondwettelijke, Europese en internationaal kader. Door middel van het samenbrengen van onderzoeksresultaten die betrekking hebben op de interactie tussen de verschillende bestuurslagen, wordt met deze studiedag beoogd om tot een aantal verdere inzichten te komen in dit globale rechtskader. In een eerdere bijdrage stonden we in dat verband reeds op algemene wijze stil bij de wijze waarop fundamentele rechten het leefmilieu beschermen(7). Hierbij werd erop gewezen dat steeds een (broos) evenwicht gezocht moet worden tussen het algemeen belang en de milieubelangen van de burgers. Dit geldt des te meer bij de realisatie van grote infrastructuurprojecten. Ook hier moet steeds een evenwicht gevonden worden op de mensenrechtelijke balans tussen economie en milieu.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erkent dat bepaalde eigendomsrechten en rechten op de bescherming van de woonst beperkt kunnen worden, maar slechts in die mate dat de overheden in effectieve en efficiënte procedures van inspraak hebben voorzien. Dergelijke inspraakprocedures moeten de uitkomst kunnen beïnvloeden. Het Europees Hof hecht ook een groot belang aan de toegankelijkheid en transparantie van de informatie i.v.m. dergelijke projecten(8). Ook de problematiek van de rechtsbescherming ten aanzien van infrastructuurprojecten komt aan bod specifiek vanuit het oogpunt van de meerlagige bestuurscontext(9).

 

J.VANPRAET analyseert in zijn bijdrage de bevoegdheid van de gewesten om in de Belgische federale context wijzigingen aan te brengen aan de federaal georganiseerde rechtsbescherming inzake infrastructuurprojecten. Naast de bevoegdheid van de gewesten om administratieve rechtscolleges op te richten, bespreekt hij in het licht van de federale Milieustakingswet het spanningsveld tussen een uniform federale rechtsbescherming en een specifieke gewestelijke rechtsbescherming die betrekking heeft op de gewestelijke bevoegdheden inzake infrastructuurprojecten. 

N.CAMBIEN bespreekt tot slot op meer algemene wijze welke mogelijkheden er zijn voor regio’s met wetgevende bevoegdheid in de Europese Unie – zo ook het Vlaamse Gewest – om zich tot de Europese gerechtshoven te wenden tegen een Europese maatregel die hun belangen raakt. In de context van meerlagig bestuur wordt het (Vlaamse) regelgevend kader rond infrastructuurprojecten immers vaak dwingend beïnvloed door specifieke Europese regels die nefast kunnen werken op de doorlooptijd van infrastructuurprojecten en die niet steeds aangepast zijn aan de specifieke ruimtelijke structuur van Vlaanderen.(10) 

Hij  stelt onder meer vast dat er openingen zijn in de Europese jurisprudentie zodat een regio met bevoegdheden in een bepaald domein, kan opkomen tegen Uniebepalingen die gevolgen hebben voor de uitoefening van deze bevoegdheden.
Deze bijdragen alsook de discussies op het congres vormen zonder twijfel een bijdrage tot deze bijzonder prominente problematiek in Vlaanderen. 

(1) Cf. lezing B.SCHUELER, “Recente ontwikkelingen in Nederland inzake grote infrastructuurprojecten” op studiedag UALS “Hebben burgers te veel rechten? Infrastructuurprojecten en de rol van de burger” op 17 december 2010.

(2) Vlaams Regeerakkoord 2009-2014 van 9 juli 2009, Een daadkrachtig Vlaanderen in beslissende tijden. Voor een vernieuwende, duurzame en warme samenleving.

(3) Verslag van de Commissie Investeringsprojecten “Naar een snellere en betere besluitvorming over complexe projecten”, zoals overhandigd aan de Vlaamse Minister-President op 26 februari 2010.

(4) Resolutie, Parl.St. Vl.ParI. 2009-2010, 395/1.

(5) Zie Persmededeling van de Vlaamse Regering vrijdag 15 oktober 2010.

(6) Cf. lezingen E. LANCKSWEERDT, “Burgerparticipatie: een juridische benadering” en P. JANSSENS, “Een politieke kijk op burgerparticipatie” op studiedag UALS “Hebben burgers te veel rechten? Infrastructuurprojecten en de rol van de burger” van 17 december 2010. Zie hierover E. LANCKSWEERDT, Handboek Burgerparticipatie, Brugge, die Keure, 2009.

(7) Zie J VANPRAET en C VAN DE HEYNING, “Hoe fundamentele rechten het leefmilieu beschermen. Overzicht van het instrumentarium”, NjW 2010, 562-576.

(8) Cf. lezing C VAN DE HEYNlNG, “Infrastructuurprojecten en de mensenrechtelijke balans tussen economie en milieu”, op studiedag UALS “Hebben burgers te veel rechten? Infrastructuurprojecten en de rol van de burger” van 17 december 2010.

(9) Cf. lezing D VAN HEUVEN, “Processuele actiemogelijkheden van burgers tegen infrastructuurprojecten: een perverse cocktail?” op studiedag UALS “Hebben burgers te veel rechten? Infrastructuurprojecten en de rol van de burger” van 17 december 2010.

(10) Denk bijvoorbeeld aan de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Richtlijn 2001/42/EG van het Europese Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s. Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Richtlijn 2009/I47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand. Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad.

Klik hier voor de pdf van het volledige commisierapport Berx.